Dodelijke UFO-interceptie boven Vliegbasis Soesterberg

TT-REPORT (12 juli) - Gary Stedman van het Britse luchtvaartblad Air-Scene UK schrijft in zijn artikel 'Defence Significance?' over enkele goed gedocumenteerde UFO-interceptie cases, zoals de poging tot interceptie van een UFO in Tehran door twee F-4 Phantoms van de Iraanse luchtmacht in 1976. Eén van de piloten, generaal Parviz Jafari, besprak recent zijn ervaringen in een interview met UFO-onderzoekers Whitley Strieber en Roger Leir.

Deze case is zo interessant omdat a. er meerdere getuigen waren vanaf verschillende locaties (zowel vanaf de grond als vanuit de lucht) b. de geloofwaardigheid van de getuigen zeer hoog was (luchtmacht-generaal, gekwalificeerde piloten en ervaren ATC'ers) c. de visuele waarnemingen door radar werden bevestigd d. bij 3 vliegtuigen elektromagnetische effecten optraden e. bij bemanningsleden fysiologische effecten werden vastgesteld e. de manoeuvreerbaarheid van de UFO's ongekend was.

FUFOR, het Fund for UFO Research, had in 1977 een interview met luitenant-generaal Azarbarzin, één van de betrokkenen. Een andere betrokkene, generaal Yousefi, verscheen in 1994 in de documentaire-serie Sightings. In het militaire tijdschrijft MIJI Quarterly schreef kapitein Shields van de United States Air Force Security Service (USAFE) een artikel over de case. Er werd zelfs een Defense Intelligence evaluatie-rapport (DIA) opgesteld.

Na het aankaarten van deze case vertelt Stedman over een andere F-4 UFO-interceptie case dat zelfde jaar op Vliegbasis Soesterberg. Een betrouwbare bron had hem recentelijk gewezen op dit voorval.

Een schotelvormig object werd boven de vliegbasis waargenomen, waarna een F-4 Phantom van de Amerikaanse 32nd Tactical Fighter Squadron, die gestationeerd is in Soesterberg, werd ingezet om de UFO te onderscheppen. Het vliegtuig was uitgerust met complete wapenuitrusting, wat wijst op een 'scramble' in plaats van een routinevlucht. Tijdens een daaropvolgende 1 v 1 Air Combat Manoeuvring (ACM) crashte de F-4 in de Noordzee.

De UFO-interceptie boven Soesterberg

Ik mailde Gary Stedman; een luchtvaartfotograaf, die zelf vrij weinig interesse heeft voor het UFO-fenomeen, maar wel speciale interesse heeft voor UFO-encounters van militaire vliegtuigen. Hij schrijft regelmatig artikelen voor Air-Scene UK en kreeg een aantal jaar geleden belangsteling voor een UFO-case waarbij een RAF Lighting met Amerikaanse piloot William Schaffner verongelukte. Hij deed wat onderzoek en vertelde hier en daar dat hij een stuk voor een site wou schrijven, die gericht is op luchtvaartenthousiastelingen die niet bekend zijn met het UFO-fenomeen.

Als voorbereiding plaatste hij diverse oproepen op luchtvaartnieuwsgroepen- en fora, waar hij informatie over de Schaffner case vraagt. Hij kreeg een reactie van een Amerikaan over het verlies van zijn broer, die midden jaren '70 als F-4 Phantom piloot bij het 32nd Tactical Fighter Squadron in Soesterberg was gestationeerd.

Deze broer vertelde dat zijn broer's Phantom in de Noordzee was gecrasht en dat beide bemanningsleden om het leven waren gekomen. De officiële mededeling van de Amerikaanse luchtmacht aan de familie was dat het vliegtuig was neergestort tijdens een 1v1 ACM exercitie en het werd beschouwd als een ongeluk. De broer werd op de hoogte gebracht van enkele complicaties die niet in het scenario pasten.

Bij de recovery van het vliegtuigcasco, droeg het een 'live warload'. Gedurende die tijd beschikte de 32nd over een Quick Reaction Alert (QRA). Gary, die zelf meer dan 20 jaar vliegervaring heeft, vindt het raar dat een 'alert' vliegtuig met 'live' raketten mee zou doen aan ACM exercities.

De broer vertelde dat in een Nederlandse krant stond vermeld dat diezelfde dag een schotelvormig object boven Vliegbasis Soesterberg had gevlogen, en er werd verondersteld dat F-4's waren ingezet om het te onderscheppen. Gary verloor het correspondentieadres van de broer bij een harde schijf crash. Hij slaagde er niet in om uit te vinden of er in dat tijdsbestek F-4's crashten en hoopte dat ik betere bronnen zou hebben.

Dit was niet zo moeilijk uit te vinden, aangezien er in de ruim 40 jaar dat het 32nd TFS in Soesterberg was gestationeerd, er maar één dodelijk crash met 'n F-4 plaatsvond.

Op Slobberin' Wolfhounds, de site over het 32nd TFS, staat dat er op 29 augustus 1977 een dodelijke crash plaats vond met een F-4 Phantom, die tijdens een interceptie in de Noordzee crashte bij Terschelling. Beide eerste luitenanten kwamen hierbij om het leven.

"While flying a low-level intercept, the aircraft crashed in the North Sea near the Dutch island of Terschelling. Both the pilot, first lieutenant Mickey Johnson, and weapons systems officer, first lieutenant Patrick H. Pondrom, were killed."

In de basiskrant "The Soesterberg Interceptor" van 2 september 1977 staat een in memoriam.

OVer de toedracht van de crash staat weinig vermeld. Wel valt te lezen dat de Nederlandse luchtmacht en marine volop betrokken was bij de zoekactie naar de vliegers.

"From the time we first learned that something was amiss, our friends in the RNLAF and the Dutch Navy sourced the waters of the North Sea day and night searching for our downed flyers. And they continue to selflessly assist us with all phases of the recovery operation."

In de media werd er ook over de crash gerapporteerd, zoals in de Interceptor te lezen staat. Ook moet er rond die tijd een krantenartikel zijn verschenen over een UFO boven Soesterberg diezelfde dag.

In februari 1979 deed zich weer boven vliegbasis Soesterberg een waarneming voor, waarbij meerdere bewakingsposten op het vliegveld betrokken waren. Deze gebeurtenis, onderzocht door wijlen Prof. Dr. de Graaff, behoort nog steeds tot één van de beste en interessantste Nederlandse UFO-cases aller tijden. Hieronder het rapport van NOBOVO, ingescand uit het boek 'UFO's: waarnemingen boven Nederland en België'.

Soesterberg, 3 februari 1979

De melding van de UFO-waarneming boven de vliegbasis Soesterberg in de ochtend van zaterdag 3 februari 1979 is nader onderzocht door drie leden van de Werkgroep NOBOVO, waaronder Dr. W. de Graaff, werkzaam op het Sterrenkundig Instituut te Utrecht, en adviseur van het NOBOVO. Hierbij is gebleken, dat er sprake is van twee verschillende vluchten van lichten boven de basis, welke vluchten zijn waargenomen door in totaal vijf verschillende, over het terrein van de basis verspreide posten, ieder bemand door twee of meer militairen. Het verschijnsel werd voor het eerst gezien om kwart voor zes en heeft in totaal vijf a zes minuten geduurd. Het werd achtereenvolgens gezien door post A in het westen, post B in het noordoosten, post C in het noorden, post D in het noordwesten en post E in het zuidwesten van de basis. De onderlinge afstand tussen de pesten bedroeg 1 tot 3 kilometer.

Eerste overkomst

Post A meldde om 5.45 uur precies, dat zij in het oosten boven een open strook grond een drietal felle, witte lichten zag schijnen. De twee buitenste lichten bevonden zich ongeveer even hoog boven de grond; het derde licht, midden tussen de twee andere, was iets hoger. De van de lichten afkomstige, naar beneden gerichte, felle bundels, kwamen op de grond samen. De lichten naderden langzaam en kwamen na enkele minuten recht boven de post, waarbij de waarnemers enkele ogenblikken in de lichtbundels terecht kwamen. Bij de overkomst bleek zich in het midden achter de witte lichten nog een vierde, rood licht te bevinden, groter dan de witte lichten, dat een recht naar beneden gerichte bundel uitstraalde. Direct na de overkomst verdwenen de lichten achter de bomen uit het gezicht.

Post B zag vrijwel direct na de eerste melding-over-de-radio van post A de lichten in het zuiden, ter hoogte van de open strook passeren. De geschatte hoogte van de horizon bedroeg 10 a 15 graden. Duidelijk was te zien dat de schuin naar omlaag gerichte bundels de grond verlichtten. Daar het gezichtsveld maar klein was, waren de lichten slechts enkele ogenblikken te zien. Combinatie van beide waarnemingen, die kennelijk op hetzelfde verschijnsel betrekking hadden, levert een vlieghoogte van 150 a 200 meter en een gemiddelde snelheid van 50 a 100 km per uur. De overkomst is alleen door de posten A en B waargenomen.

Tweede overkomst

Post C zag op een gegeven ogenblik van zeer dichtbij de lichten gedurende enkele tellen tussen de bomen passeren. De tijd was te kort voor een duidelijke waarneming en vooral deze mensen zijn erg onder de indruk geraakt van hetgeen zij zagen.

Post D heeft na de eerste meldingen van post A aanvankelijk niets kunnen zien (achteraf bleek dat zij in verband met de aanwezige bebossing de overkomst ook niet hadden kunnen zien). Na de latere meldingen van de posten A en B zijn zij opnieuw gaan kijken en zagen toen de lichten uit de richting post C in het noordoosten naderen. Ook post D zag eerst drie grote bollen, de middelste wat hoger dan de andere, die een fel, wit licht uitstraalden. De bollen waren omgeven door een duidelijk zichtbare, zwarte rand en straalden aanvankelijk recht in de richting van de waarnemers. Hoewel de bundels fel waren, was het mogelijk er zonder verblindingsverschijnselen tegen in te kijken, anders dan het geval is met koplampen van auto's of vliegtuigen. De lichten maakten een flauwe bocht en passeerden de waarnemers aan de rechterkant op een afstand van ca. 100 meter en een hoogte van ca. 50 meter (schattingen uit nadere baananalyse). Daarbij werd ook het 'roodachtige achterlicht' zichtbaar, met de recht naar beneden gerichte bundel, waarvan de rand de waarnemers op enkele tientallen meters passeerde. Daarna verdwenen de lichten in zuidelijke richting achter een smalle bosrand. Na deze te zijn doorgelopen zagen de waarnemers de lichten in zuidelijke richting laag boven de grond, waarbij de bundels bij het passeren de grond duidelijk verlichtten. Op een gegeven moment waren de lichten zelfs lager te zien dan lantaarns aan de achterzijde van het veld, zodat zij vlak boven de grond moeten zijn geweest. Nadat de lichten in de buurt van post E waren gekomen werd een lichtflits gezien; de witte lichten floepten uit en het rode licht verdween met toenemende snelheid via een bocht naar rechts boven in de wolken. Alles bijeen heeft post D de lichten over een afstand van 2 tot 2 km kunnen volgen.

Post E tenslotte zag de lichten boven de boomtoppen uit het noorden recht op zich afkomen. Ook zij zagen de lichtflits. Nadat de witte lichten waren uitgegaan verdween het rode licht met grote snelheid in westelijke richting.

Post B heeft, gezien zijn positie, de tweede overkomst niet kunnen waarnemen. Post A zou dat van de oorspronkelijke positie uit wel hebben gekund, maar de betrokken waarnemers waren na het verdwijnen van de lichten bij de eerste overkomst het bos ingegaan om te kijken of ze ze verderop nog konden zien.

Verdere bijzonderheden

Vorm: alle waarnemingen, rekening houdende met de richting, waaruit de lichten zijn gezien, lijken overeen te stemmen met een opstelling van drie witte lichten en één rood licht in de vorm van een wat stompe vlieger. De witte lichten bevonden zich aan de uiteinden van de 'dwarslat' en aan de bovenpunt van de 'vlieger', terwijl het rode licht zich aan de onderpunt bevond. Door sommige waarnemers zijn donkere contouren gezien die de witte lichten verbonden, terwijl achter de zo gevormde driehoek sprake is van een donkere rechthoek, waarvan het rode licht zich aan de achterkant bevond.

De lichten zelf moeten een middellijn hebben gehad van enkele meters, waarbij het rode licht groter was dan de witte lichten. De afstand tussen de twee buitenste witte lichten was geschat op ruim 50 meter.

De witte lichten leken gevat in of omgeven door een duidelijk zichtbare, donkere rand en hun schuin naar voren gerichte bundels kwamen in de lucht of op de grond samen. Het rode 'achterlicht' straalde recht naar beneden.

Beweging: bij de eerste overkomst moeten de lichten van oost naar west over een afstand van ca. 3 km boven de basis hebben bewogen met een gemiddelde snelheid van 50 tot 100 km per uur. Bij de tweede overkomst naderen de lichten uit het noordoosten, maakten al spoedig een flauwe bocht, meer naar het zuiden, waarna na het uitgaan van de witte lichten bij het bereiken van de zuidwestelijke rand van de basis het rode licht met een steile bocht in westelijke richting verdween.

Hoewel de lichten met wisselende snelheid moeten hebben gevlogen (soms leken ze stil te staan), moet ook deze afstand van ca. 3 km met een vergelijkbare gemiddelde snelheid als de eerste keer zijn afgelegd. Geluid: geen van de posten heeft tijdens het naderen en passeren van de lichten enig geluid gehoord, althans geen geluid van betekenis. Na het passeren hebben alle posten behalve C (overstemming door het motorgeluid van het eigen voertuig) een heel zacht zoemend geluid gehoord. De waarnemers van post D zijn kort na het passeren en verdwijnen van de lichten naar binnen gegaan; de overige posten hebben dit geluid nog ca. een uur na de waarneming gehoord. Radar: tijdens geen van beide overkomsten is enig ongewoon verschijnsel op de radar van de basis geregistreerd. Ook radarposten in de omgeving hebben niets bijzonders waargenomen. Weersgesteldheid: de grondtemperatuur was ten tijde van de waarnemingen ca. — 1 °C. De vochtigheidsgraad bedroeg 77% en er waaide een wind met een snelheid van ca. 16 km per uur uit het noordwesten. Het was geheel bewolkt (geen sterren, geen maan) met een zicht van ca. 25 km. De basis van de bewolking lag op ca. 1500 meter en er kwamen temperatuurinversies voor op hoogten van ca. 250 en ca. 2000 meter.

Analyse van de meldingen

Uit een vergelijking van alle meldingen blijkt dat die bewuste ochtend het gebied van de vliegbasis Soesterberg tot tweemaal toe moet zijn bezocht door een systeem van lichten. Uit de gemelde overeenkomsten tussen de beide lichtsystemen en uit het feit dat beide overkomsten kort na elkaar plaatsvonden krijgt men de indruk dat het in beide gevallen om hetzelfde systeem van lichten ging, hoewel dat niet met volstrekte zekerheid is te zeggen (in dit verband wordt er aan herinnerd dat geen der vijf posten beide overkomsten heeft gezien).

In een eerste reactie van de Luchtmacht werd gesproken over de mogelijkheid dat de waarnemers EEN WEERKAATSING VAN AUTOKOPLAMPEN tegen de bij de inversies optredende spiegelende luchtlagen hebben gezien. Deze verklaring lijkt echter in strijd met de melding van de verschillende posten dat zij de lichten vrijwel recht over zich hebben heen zien gaan en zich daarbij in de lichtbundels hebben bevonden. In het begin van de vluchtperiode hebben post A en post B de lichten gelijktijdig in onderling vrijwel loodrechte richtingen (resp. oostelijk en zuidelijk) gezien, hetgeen bij spiegelingen moeilijk verklaarbaar lijkt. Ook de melding van post D dat de lichten zich op een gegeven moment lager bevonden dan achter hen zichtbare objecten aan de overkant van het veld waarover zij bewogen, lijkt met deze verklaring in tegenspraak te zijn.

De betrokken waarnemers zijn zeer stellig in hun uitspraak dat het niet een bekend of normaal type VLIEGTUIG OF HELIKOPTER kan zijn geweest dat de verschijnselen heeft veroorzaakt. De lichten zagen er heel anders uit dan men van zulke toestellen gewend is en ook met de donkere contouren was dat het geval. Het ontbreken van geluid tijdens het overvliegen en van radarwaarnemingen (terwijl volgens woordvoerders van de basis de radar een normaal vliegtuig dat deze banen zou hebben gevolgd, stellig zou hebben geregistreerd) lijkt deze uitspraak van de waarnemers te ondersteunen.

De algemene omstandigheden waaronder de waarnemingen moeten hebben plaatsgevonden en de wijze waarop de waarnemers erop hebben gereageerd (in sommige gevallen angstig, in andere gevallen weerstand tegen gesprekken erover uit angst te worden belachelijk gemaakt) lijken de mogelijkheid, dat het om een IN SCÈNE GEZETTE GRAP zou gaan uit te sluiten. Ook de kans op een COLLECTIEVE ZINSBEGOOCHELING lijkt te verwaarlozen omdat de waarnemers zich op verschillende posten bevonden en hun meldingen niettemin een verrassend samenhangend beeld opleverden, hoewel er tijdens de tweede overkomst geen onderlinge contacten waren. Gezien de aard van de beschrijvingen lijkt er hier eerder sprake te zijn van een TECHNISCH VERSCHIJNSEL dan van een natuurlijk of psychisch verschijnsel. Vooralsnog blijft onduidelijk om wat voor een technisch verschijnsel het hier dan zou kunnen gaan. Nota wordt genomen door het officiële standpunt van de vliegbasis, dat de zaak als afgedaan wordt beschouwd en dat verdere reacties erop zullen worden verwezen naar de NOBOVO-Werkgroep.

Conclusie

'Op grond van de op dit moment beschikbare gegevens moet worden vastgesteld dat de basis Soesterberg op 3 februari 1979 bezocht is door een onbekend, door de lucht bewegend systeem van lichten, en dat hier dus sprake is van een duidelijke UFO-melding.'

Tot zover het zeer uitvoerige rapport van de Werkgroep NOBOVO, dat naar aanleiding van de waarneming werd opgesteld. De leden van deze werkgroep kregen van de autoriteiten toestemming om met de getuigen te praten en de zaak op het vliegveld zelf te onderzoeken. Het NOBOVO is dus van mening dat de waarneming momenteel niet valt te verklaren.

Een maand later, op 2 maart 1979, werden er wederom een UFO waargenomen op Vliegbasis Soesterberg, dit maal door onbekende waarnemers op het Amerikaanse deel van de basis.

Soesterberg en opslag nucleaire wapens

Trekken nucleaire (opslag)bases UFO's aan? Dat onderzocht Dr. Donald Johnson van CUFOS, het Center for UFO Studies. Hij concludeerde na uitgebreid onderzoek dat UFO's vaker worden waargenomen nabij dergelijke installaties. Opvallend is dat ten tijde van de verhoogde UFO-activiteit boven vliegbasis Soesterberg (1977-1980) ook bij andere militaire bases rond de wereld hier sprake van was. In november 1975 werden vele noordelijke Amerikaanse bases bezocht door UFO's. Nachtelijke lichten en niet-geïdentificeerde 'mystery helicopters' werden waargenomen. December 1980 vond de beroemde encounter bij de Bentwaters RAF-basis plaats. In elk geval ging het om nucleaire (opslag)bases. Het is publiekelijk bekend dat ook op Soesterberg nucleaire wapens waren opgeslagen. Eind jaren '70 vonden er vele vredesdemonstraties plaats. Gezien het statistisch bewijs voor een verband tussen UFO-waarnemingen en nucleaire bases, ligt het voor de hand dat UFO's de vliegbasis bezochten vanwege de aanwezigheid van kernwapens.

Bronnen

Air-Scene UK, art. Defence Significance?, april 2000
Defense Intelligence Agency (DIA) rapport Tehran 1976 UFO
32nd TFS site "Slobberin' Wolfhounds'
Soesterberg Interceptor, 2 september 1977
mailcorrespondentie Toine Trust met Gary Stedman
UFO's: waarnemingen boven Nederland en België (vierde druk, 1984)
TvU, Jaargang 5 (nr. 27), 1979, mei-juni, Nr. 3, p. 3.

© Toine Trust - Overnemen zonder toestemming niet toegestaan

Click On ME to ENTER !!! click on me to enter
click on me to enter
click on me to enter
Google
WWW SITE

info | bio John Toine | contact | Fair Use 17 USC §107 | stats | disclaimer UntoldMysteries™